Joost Cellissen, 25-11-1970, autodidact.

Het vragen naar wat realiteit is, houdt mij voortdurend bezig. De onmogelijkheid realiteit definitief vast te leggen, en de onuitputtelijke perspectieven die een poging wagen, hebben ertoe geleid dat ik mijn werk vormgeef op het snijvlak van verschijnen en verdwijnen. Inspiratiebronnen zijn vooral de mogelijkheid alles telkens weer in vraag te stellen, de fenomenologie, het speculatief realisme van Graham Harman en het pessimisme van Emile Cioran. Uiteindelijk draait het in de beelden om een zoektocht naar een Nergensland, naar een niet-zijn dat zich toch toont. Deze utopie wordt zichtbaar in het menselijk verlangen naar betekenis die het momentane probeert te ontstijgen, terwijl het verlangen zichzelf in het voorbijgaan van het verschenen en toegeëigende moment blijft bevestigen als stuwende kracht naar onmogelijke onsterfelijkheid. Met andere woorden, het beeld, de kleur, de kaders spreken voor zich. Woordeloos, in aporie.